Zijn sociale netwerksites zoals Hyves en Facebook nu een vloek of een zegen voor bedrijven? Vooral voor de ouderwetse werkgever is het een doorn in het oog en voor velen een reden om de websites te blokkeren voor werknemers. Die verdoen er namelijk alleen maar hun tijd mee en voeren dus minder werk uit. Een Britse denktank stelt na uitvoerig onderzoek iets anders: ‘Werknemers moeten actiever zijn op netwerksites‘. Dus hoe weet de werknemer nu wat hij wel en niet mag en moet doen? En hoe weet de werkgever wat hij wel en niet moet verbieden?

Laten we ons even focussen op de hoger opgeleide banen waarbij het uitvoeren van een uitgebreide en verantwoordelijke taak voorop staat. Want een parttime verkoopster bij de Intertoys een laptop geven waarop ze kan Hyven, lijkt inderdaad niet zo’n goed idee. Maar naarmate het verantwoordelijkheidsgevoel van de werknemer hoger is (bijvoorbeeld een vertegenwoordiger, een webdesigner of een journalist), zal hij/zij zich minder in negatieve manier laten afleiden door zaken die niets met werk te maken hebben. De werknemer weet wat er van hem verwacht wordt en zorgt ervoor, uit eigenbelang en/of uit feeling met het bedrijf, dat die taak goed uitgevoerd wordt. Bovendien weet hij dat ontspanning belangrijk is, vooral wanneer de werkdruk hoog kan oplopen. Het artikel van de Britse denktank stelt dat het sociale netwerken steeds meer lijkt op professionele communicatie en dus bevordert het die kwaliteiten. “Het oude model waarin de manager volledige controle heeft op de mensen onder zich is hopeloos achterhaald.”

En dan is er nog een reden waarom verbieden uit de tijd is: sociaal netwerken (en in bredere zin: communiceren via internet) is steeds meer onderdeel van het dagelijks leven. Als je werknemer tussen de middag naar huis mag bellen om te vragen hoe het met de kleine gaat of ’s middags even een sigaretje gaat roken met iemand van een andere afdeling, waarom zou hij dan niet een vriend mogen ‘krabbelen’ hoe het met hem is? Net doen of iemands privéleven niet bestaat zodra hij zijn incheckpasje langs het apparaat gehaald heeft, kan niet. Zorg ervoor dat werknemers zich thuis voelen, want dan komt het beste en meeste werk uit hun handen. Hoe kun je dat dan beter doen dan een stukje ‘thuis’ toelaten in hun werk?

Tenslotte: het einde van deze trend is nog niet in zicht. De sterk opkomende moderne bedrijven van de laatste jaren maken plaats voor een Nintendo Wii, breedbeeldschermen, onderlinge chat en in sommige extreme gevallen (lees: Google) zelfs glijbanen, biljarttafels en zwembaden. Alles om de werknemer zich maar thuis te laten voelen.

Heeft co-creatie de toekomst?

september 25, 2008

Wikipedia is er het eerste en belangrijkste voorbeeld van: co-creatie. Waar User Generated Content nu vooral nog gebruikt wordt als bijdrage op iets bestaands, is een Wikipedia-artikel iets wat geheel door de gebruikers gecreëerd wordt. From scratch. We kunnen over oneindig uiteenlopende onderwerpen artikelen schrijven en daarbij net zo accuraat zijn als een professionele encyclopedie.

Des te opmerkelijker is het dat dit concept nog niet op veel meer gebieden toegepast wordt. Als we als ‘massa’ artikelen kunnen schrijven die de kwaliteit van een professionele encyclopedie benaderen, dan kunnen we ook boeken schrijven die de spanning van Dan Brown’s boeken hebben, films die net zo spitsvondig zijn als de scripts van Quentin Tarantino of muziek (teksten, composities, beats) die alle hitlijsten bestijgt. Toch?

Jawel, maar onder bepaalde voorwaarden. Don Tapscott schreef in 2006 in Wikinomics dat er drie voorwaarden zijn waaronder co-creatie succesvol toegepast kan worden:

1. Het betreft het bijdragen van content waarbij de bijdrager weinig tot geen kosten maakt.
2. Het eindproduct kan ingedeeld worden in kleine stukjes, die per stuk geproduceerd kunnen worden door een individu, onafhankelijk van wat anderen bijdragen.
3. De kosten om al deze kleine stukjes samen te voegen tot één eindproduct, inclusief coordinatie en technische middelen, moeten laag blijven.

Wikipedia voldoet aan deze voorwaarden en elk concept dat hierop lijkt (maar dan met een ander soort eindproduct), dus ook. Het ontwerpen van (bijvoorbeeld) de architectuur van een nieuw te bouwen museum zou volgens deze regels niet via co-creatie tot stand kunnen komen, omdat dat niet in onafhankelijke stukjes verdeeld kan worden. En je kunt geen film maken waarbij gebruikers hun eigen scene filmen; ook dit wordt geen eenheid en het jaagt de bijdrager bovendien op kosten.

Uiteraard kunnen we co-creatie ook op kleinere schaal toepassen. Een sportjournalist zou een artikel kunnen starten waarin hij enkel de feiten rondom een voetbalwedstrijd noemt: uitslag, doelpuntenmakers, gele en rode kaarten, wissels. Laat individuele bijdragers in het commentaar hun visie op de wedstrijd geven: wie verdiende de winst, wie was Man of the Match, was het wel of geen penalty, etc. Een veelbezochte site kan binnen een uur een compleet (en als het goed is objectief) verslag samenvoegen van alle reacties. De originele auteur zou zelfs zijn beginstukje in een gedeeld document op Google Docs kunnen zetten en tientallen bijdragers vragen om het artikel naar eigen inzicht aan te passen.

En zo kunnen we met co-creatie artikelen over uiteenlopende onderwerpen (sportverslagen, muziekrecensies, nieuwsitems, opiniestukken, etc.) samen schrijven. Met meningen die breed gedragen worden door de consumenten zelf. Echter, bij deze werkwijze komt in mijn mening nog een vierde en vijfde voorwaarde kijken:

4. De bijdragers moeten zich bewust zijn van het proces van co-creatie en van wat hun bijdrage daaraan toe kan voegen
5. Er is een coördinator aanwezig die de capaciteiten heeft om de verschillende stukjes samen te voegen volgens de regels van de journalistiek

Het lijkt erop dat webjournalisme wel degelijk een stap in deze richting gaat zetten. Jeroen Mirck probeerde het laatst voor zijn artikel over Emerce eDay. Hij toonde (onbewust) aan dat het concept van samen creëren weliswaar nog in de kinderschoenen staat, maar dat het zeker toekomst heeft. Power To The People!

Toen je vroeger door weer en wind naar de cd-winkel fietste voor het foldertje met de nieuwste Top 40, had je toen enig idee hoeveel daar niet in stond? Had je er enig idee van hoeveel muziek je niet hoorde op Radio 538? Kun je wel weten wat je eigen smaak is als anderen je vertellen wat er goed is en waar je naar dient te luisteren?

De muziekconsument anno 1995 haalde zijn cd’s bij de V&D, Free Record Shop of Music Store. U2 was daar wel te krijgen, Guns ’N Roses ook wel. Maar wie de cd zocht van die nieuwe band die in de OOR-recensie zo de hemel in geprezen werd, moest goed zoeken. Zou het al verkrijgbaar zijn in Nederland? Staat het bij pop of rock? De medewerker had er nog nooit van gehoord. Kon hij het bestellen? Hij ging zijn best doen. Of je kon het proberen bij de speciaalzaak, maar die zat in Amsterdam.

Vandaag is alles binnen handbereik. Het oordeel van OOR wordt bijgestaan door talloze andere recensies van hetzelfde album en websites als Metacritic verzamelen die tot één breed gedragen oordeel. Waar OOR drie pagina’s besteedde aan de nieuwe releases, biedt internet virtuele bibliotheken vol, zelfs van muziek van decennia geleden. Wat vond Pitchfork ook alweer van het debuutalbum van Snow Patrol uit 1999?

Via Amazon en Bol.com zijn de cd’s van de meest uiteenlopende artiesten te bestellen en hoewel dit al een uitkomst is voor de muziekliefhebber zoals die in 1995 door te winkel liep te zoeken, heeft internet inmiddels allang weer een paar stappen verder gezet. Webwinkels als iTunes bieden de muziek digitaal aan, zodat zelfs niet gewacht hoeft te worden totdat het op de mat ligt. Wie iets wil hebben, kan er twee minuten later naar luisteren.

Ook gaat de consument niet meer enkel af op het oordeel van recenscenten of de aanraders van vrienden, kennissen en radio-DJ’s. Pandora biedt een service waarbij, op basis van een geliefde artiest, een radiostation wordt samengesteld die soortgelijke muziek draait. Ondanks dat het concept te kampen kreeg met muziekrechten en momenteel alleen nog in de Verenigde Staten beschikbaar is, heeft het de online muziekindustrie een flinke zet richting de web 2.0-idealen gegeven. Een rol die inmiddels glansrijk is overgenomen door Last.fm, de zelfverklaarde ‘sociale revolutie in muziek’. Via een persoonlijk profiel wordt bijgehouden naar welke muziek een gebuiker luistert en met die statistieken kan bepaald worden welke muziek ook interessant kan zijn en welke andere gebruikers dezelfde smaak hebben. Zo passeren vele potentieel interessante, maar tot voor kort onbekende acts de revue en wordt je muzieksmaak met de dag uitgebreider of juist verfijnder. Iets moois wat je net gehoord hebt, deel je met je Last.fm-vrienden.

Pandora, Last.fm en ook Hypem (dat aan de hand van waar muziekweblogs over schrijven een beeld schetst van welke nieuwe, opkomende muziek ‘gehyped’ wordt) stellen de moderne internetgebruiker dus in staat om veel nieuwe muziek te ontdekken die in de oude situatie zou verdwijnen in de ‘staart’. Daar houdt het niet mee op, omdat de Long Tail-theorie niet alleen voor de muziek zelf geldt, maar ook voor de muziekkennis en –informatie. Zijn er albums van Radiohead die ik nog niet heb? Allmusic.com zet de discografie op een rijtje. Hoe heette dat nummer in de laatste aflevering van Six Feet Under? TV.com vertelt het je. En de iPhone-applicatie van Shazam luistert tien seconden naar een stukje muziek (van tv, radio of in een discotheek) en noemt je dan de uitvoerend artiest en titel. Meteen aanschaffen kan via iTunes.

En zo is de internetrevolutie op muziekgebied niet alleen een prachtige ontwikkeling voor de liefhebber. Ook de artiest, die anders zo moeilijk voet aan de grond krijgt in de overvolle markt, bereikt zijn publiek via alle moderne kanalen. MySpace, Hypem, Last.fm, YouTube, SellaBand of een van de miljoenen muziekweblogs kan de deur openen naar zijn publiek, dat er tenslotte zelf voor kiest om zijn nummers te luisteren of zijn videoclip te bekijken.

De opdracht…

september 2, 2008

…luidt:

Om ‘feeling’ te krijgen met het vakgebied houd je gedurende de hele periode een weblog bij, waarin je verslag doet van en commentaar levert op recente ontwikkelingen op het gebied van e-publishing. Natuurlijk hopen we dat jullie enthousiaste leden van de ‘blogosphere’ worden en iedere dag een paar postings online zetten. Maar om toch een minimum te stellen: ieder groepslid moet in de hele periode tenminste vier berichten van zekere omvang schrijven. Vanzelfsprekend is het de bedoeling dat jullie op elkaars postings reageren. Je werkt met ongeveer acht studenten aan een weblog.

Daar gaan we dit weblog dus voor gebruiken.